‘Mijn bedje, dat mijn al te traag gewicht moet dragen,
je baas is zonder goed gezelschap zwaar onthand.
‘t Is een vijandig lot dat maakt dat op je schragen
zo’n sufferd als ik ben in starre slaap belandt.
Je hebt er recht op, ja, je zou gelukkig worden,
als Amor mij nog net als vroeger gunstig was’
Het begin van een elegie van Janus Secundus, vertaald door J.P. Guépin in ‘De rozen welken snel‘ (Van Gennep 2000), een door hem samengestelde bloemlezing liefdespoëzie.